Met Lucifer (1654), Adam in ballingschap (1664) en Noah (1667) beweegt Joost van den Vondel zich op het hoogst denkbare niveau. Zijn toneel bevindt zich buiten de tijd in de hemel bij de opstand van de engelen en in de oertijd op aarde bij de schepping... Lees verder >>
Met Lucifer (1654), Adam in ballingschap (1664) en Noah (1667) beweegt Joost van den Vondel zich op het hoogst denkbare niveau. Zijn toneel bevindt zich buiten de tijd in de hemel bij de opstand van de engelen en in de oertijd op aarde bij de schepping van Adam en Eva en hun zondeval.
Noah verbeeldt hoe het de prille mensheid in haar zondige staat verging en hoe God met de zondvloed de aarde moest reinigen van ongeremde bandeloosheid en machtswellust. De vragen die aan de orde komen zijn van existentieel belang: wat is het wezen van het kwaad en waar komt het kwaad vandaan, hoe hebben hoogmoed en lustbejag Gods schepselen in hun greep kunnen krijgen, hoe kan de verhouding tussen God en mens hersteld worden?
Onder deze vragen ligt een tweede laag: wat is het wezen van man en vrouw en hoe is dat gerelateerd aan de aard van hun schuld? In prachtige verzen en onvergetelijke taferelen verdicht en interpreteert Vondel zo de oude verhalen uit het bijbelboek Genesis.
De bezorger:
Riet Schenkeveld-van der Dussen (1937) is emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde 1550-1850 van de Universiteit Utrecht.
Nawoord en aantekeningen van J.W.H. Konst
Binnen een periode van vier jaar heeft Joost van den Vondel drie tragedies uitgegeven waarin de mannelijke hoofdpersonages gedwongen worden te kiezen tussen hoge, abstracte belangen aan de ene, en het leven van... Lees verder >>
Nawoord en aantekeningen van J.W.H. Konst
Binnen een periode van vier jaar heeft Joost van den Vondel drie tragedies uitgegeven waarin de mannelijke hoofdpersonages gedwongen worden te kiezen tussen hoge, abstracte belangen aan de ene, en het leven van hun eigen zoon of dochter aan de andere kant. In Jeptha, of offerbelofte (1659), Koning David hersteld (1660) en Faeton, of roekeloze stoutheid (1663) verschijnen vaders ten tonele die verscheurd worden door twijfel, en die zich tot het bittere einde tussen hoop en angst heen en weer geslingerd zien.
Het is moeilijk niet mee te leven met de oudtestamentische landvoogd Jeptha, de legendarische joodse koning David en de klassiekmythologische zonnegod Febus/ Apollo. Uiteindelijk hebben zij alledrie de dood van hun respectieve nakomelingen te betreuren, en dat is nog niet alles, want ze weten zich bovendien medeschuldig aan het feit dat hun zoon of dochter niet meer leeft. Wat het voor een vader betekent zélf verantwoordelijk te zijn voor de dood van een eigen kind, en hoe het toch kan dat iemand het zover laat komen - dat zijn de vragen waarop Vondel in de drie genoemde drama's een antwoord wil geven.
De bezorger:J.W.H. Konst is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Freie Universitat te Berlijn. Hij is gespecialiseerd in de vroegmoderne literatuur
Strijdrumoer klinkt op in de kerstnacht. Terwijl de Amsterdammers het kerstfeest vieren, dringen vijandelijke troepen de stad binnen. Zij hebben zich verscholen in een schip vol rijsthout, dat Gysbreght van Aemstel nietsvermoedend heeft laten... Lees verder >>
Strijdrumoer klinkt op in de kerstnacht. Terwijl de Amsterdammers het kerstfeest vieren, dringen vijandelijke troepen de stad binnen. Zij hebben zich verscholen in een schip vol rijsthout, dat Gysbreght van Aemstel nietsvermoedend heeft laten binnenvaren. Gysbreght wil zijn stad verdedigen, maar de engel Rafaël maant hem te vluchten. Amsterdam, voorspelt de engel, zal zeker uit de as herrijzen.
NBD|Biblion recensie:
Deze uitgave van Vondels Gysbreght is het eerste deel van een nieuwe reeks: 'Alfa, literaire teksten uit de Nederlanden', welke als oogmerk heeft betaalbare en leverbare tekstedities te verschaffen. In de inleiding worden resp. behandeld: De première van de G.v.A. in de Amsterdamse Schouwburg, De inhoud van de G.v.A., de Gysbreght op het toneel van Jacob van Campen, G.v.A. in de toneeltraditie (Hoofts Geeraerdt van Velsen en Suffridus Sixtinus' Geeraerdt van Velsen lyende), Vondel en het vaderlands verleden (G.v.A. in de geschiedschrijving, Het Amsterdam van G.v.A., De G.v.A. en de recente vaderlandse geschiedenis, De G.v.A. en Vergilius' Aeneis, Vondels drama-opvattingen, Karaktertekening en de G.v.A. als leestekst en als toneeltekst. In een Verantwoording worden enkele opmerkingen gemaakt over Vondels taalgebruik. De inleiding wordt besloten met een bibliografie. De tekst zelf is voorzien van talrijke woord- en zaakverklaringen. De uitgave is primair bedoeld voor universiteits- en HBO-studenten.(Biblion recensie, Dr. R.L.J. Bromberg.)